Ioniserende straling is in lage hoeveelheden meestal niet schadelijk voor de gezondheid van mensen. In hoge hoeveelheden kan de straling meteen gevolgen hebben voor het lichaam. Daarom is het belangrijk dat mensen zo min mogelijk aan ioniserende straling worden blootgesteld.
Lage hoeveelheid straling
Bij blootstelling aan een lage hoeveelheid straling krijgen mensen meestal geen gezondheidsproblemen. Dat komt doordat ons lichaam zelf de schade aan de cellen kan repareren. Heel soms lukt het niet om alle schade te repareren. Dan is een gedeelte van het DNA beschadigd. Dit kan leiden tot het ontstaan van kanker.
Mensen hebben een iets hogere kans op kanker als ze aan ioniserende straling worden blootgesteld. Bij een CT-scan van de buik wordt bijvoorbeeld maximaal 10 millisievert (mSv) gebruikt. Dit verhoogt de kans op kanker met 0,05%.
Hoge hoeveelheid straling
Blootstelling aan een hoge dosis ioniserende straling kan meteen gevolgen hebben voor het lichaam. Zo kan het voor schade zorgen aan de huid en de ogen. Verder kan iemand die aan heel veel straling wordt blootgesteld zich direct misselijk voelen en diarree krijgen. Ook kunnen de bloedlichaampjes dan afnemen. Dit vergroot de kans op bloedingen en besmetting door een bacterie of virus. Diegene heeft dan stralingsziekte.
Mensen kunnen alleen stralingsziekte krijgen door blootstelling aan veel straling. Bijvoorbeeld doordat ze in aanraking komen met een sterke radioactieve bron of te veel bestraling door radiotherapietoestellen. Of door grote kernongevallen, zoals de ramp van Tsjernobyl. Toen werden de brandweermannen aan grote hoeveelheden straling blootgesteld.